Fragment

© 2017 – Solid Tales
Alle rechten voorbehouden


Dit fragment uit ‘Kinderen van de adelaar’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.


Toen ze de basis een paar kilometer achter zich gelaten hadden, reden ze een asfaltweg op en in het opkomende licht, zag Boran gebouwen staan; voornamelijk fabrieken, opslagplaatsen en silo’s. Allemaal al ruim een eeuw buiten dienst en in een verre staat van verval. Het waren gevaarlijke plekken, had mams hem geleerd, waar chemische stoffen uit doorgeroeste vaten sijpelden. Opeens bedacht Boran dat het ontstaan van de duisterwezens misschien toch niet alleen bij radioactieve besmetting te zoeken was en hij had spijt dat hij dit niet meer aan Mister Sam had kunnen zeggen.
Na een poosje maakte de industrie plaats voor woonwijken; duizenden verlaten huizen met voortuintjes en opritten. Vóór het Licht was dit ongetwijfeld de ideale plek geweest om een gezinnetje te stichten. Nu waren de huizen geplunderd en sommige waren niet meer dan uitgebrande ruïnes. Op sommige deuren waren zwarte kruisen geschilderd, het teken dat hier een of andere dodelijke epidemie gewoed had. Dit was ook de reden waarom Mister Sam en zijn mensen deze buurten meden als… nu ja…
de pest.
Auto’s stonden hier in het midden van de weg, waar ze hun laatste druppel benzine hadden verbrand.
In de verte rezen hoge kantoorgebouwen: donkere pijlers van staal, beton en glas die boven het oppervlak van een gigantische modderpoel uitrezen. Van de lagere gebouwen staken alleen nog daken en schoorstenen boven het water uit. De hoger gelegen stadsdelen waren van het water gespaard gebleven, maar zagen er al even doods en verlaten uit. De perfecte schuilplaats voor duisterwezens. Boran gruwde bij de gedachte dat het er ’s nachts vast krioelde van die mensenetende monsters. Nee, het betoog van Mister Sam had zijn mening niet kunnen veranderen. Het waren en bleven gemuteerde monsters, die beter af waren met een kogel of een kruisboogbout door hun kop.
Walt nam een afslag, zodat ze de spookstad achter zich lieten en na een paar kilometer kwamen ze aan op een parkeerplaats voor een klein, vervallen stationsgebouwtje. De brokstukken van het versleten asfalt knarsten onder de banden terwijl de bestelwagen tot voor de ingang reed. Op de parkeerplaats stonden tientallen bestofte auto’s. Van sommigen stond het portier wijdopen. Wie zou ze stelen als er toch geen brandstof was om ermee te rijden? Behalve als je natuurlijk over de kennis en het materiaal beschikte om die dingen op stront te laten rijden.
Het stationsgebouwtje was niets meer dan een ruïne. De ramen en deuren waren stuk en binnenin was alles gesloopt, hetzij door plunderaars, hetzij door duisterwezens. Maar Malcolm ging niet naar binnen. Hij liep langs een kapot hek rechtstreeks naar de sporen. De ballaststenen kraakten onder hun voeten terwijl ze de spoorweg overstaken en Aura keek met verstomming naar de roestige rails en naar de vreemde machines die erop stonden. Ze wees naar het uitgebrande karkas van een lange passagierstrein.
‘Zijn dat nu trienen?’ vroeg ze.
‘Treinen’, verbeterde Boran haar. ‘Ja, dat zijn nu treinen… geweest.’
Mattia kon niet snel genoeg aan de overkant zijn. Hij had nare herinneringen aan treinen, zelfs al hadden ze al een eeuw niet meer gereden.
Malcolm liep langs een stel dorre struiken en bomen tot ze bij nog meer sporen kwamen, een heleboel naast elkaar. Een rangeerstation, zoals dat heette. Er stonden nog veel meer treinen en Borans hart ging sneller kloppen van opwinding, want deze machines waren nog in goede staat. Mattia bekeek de treinen met een gereserveerde blik, terwijl hij Bliksem over zijn kop aaide. Hij vertrouwde ze voor geen haar, dat zag je zo.
Ze volgden Malcolm achter een goederentrein en daar stond hij ineens…
‘Wauw!’ bracht Boran uit en zelfs Mattia vergat even dat hij in het midden van de spoorweg stond en staarde met open mond naar de machtige machine waar ze voor stonden.
De locomotief was ooit in blauw en zilvergrijs geschilderd geweest, maar de verbleekte kleuren kwam maar nu en dan even tevoorschijn onder de zware titanium pantserplaten die, bezet met scherpe stalen pinnen, tegen de flanken waren gelast. Hier en daar zag je nog vaag de resten van een roodblauwe streep en halfvergane letters die de naam van de spoorwegmaatschappij spelden. Er zaten twee ramen bovenin de schuin aflopende neus en eentje aan elke zijkant. Al het glas was afgeschermd met stalen flappen, die van binnenuit konden bediend worden. De koplampen zaten in holle buizen met roosters, waardoor de machine iets weg had van een immens vreemdsoortig insect. Vooraan was de schep van een sneeuwruimer vastgemaakt om eventuele kleine hindernissen uit de weg te ruimen. De zon teisterde het metaal en de
hitte deed de lucht boven de rijdende burcht zinderen.
‘We zullen een flinke hoop stront nodig hebben om die aan de praat te krijgen!’ merkte Mattia droogjes op.
‘Nee, geen stront’, lachte Malcolm. ‘Zonlicht!’ Hij vertelde dat dit een oude P42 diesellocomotief was, maar de dieselmotoren waren eruit gesloopt en vervangen door een elektrische aandrijving. Die haalde zijn energie uit de hoogvermogen zonnecellen die op het dak waren bevestigd. De zonnecellen waren van op de grond nauwelijks te zien omdat ze beschermd werden door schuin aflopende pantserplaten, die hen van het zicht ontnamen.
Aan de loc was een omgebouwde goederenwagon gekoppeld die nog zwaarder bepantserd was. De wagon was pikzwart geschilderd en bezet met kogelvrij pantser, waarin alleen een paar smalle schietgaten waren uitgesneden. Op het dak was een draaibare geschutskoepel gebouwd met een anti-tankkanon, waardoor het rijtuig meer weg had van een tank, dan van een treinwagon.
‘En dat is de Citadel’, vertelde Malcolm trots.
Achterin de Citadel stond een deur open en vijf soldaten waren wapens en kisten met munitie, mondvoorraad en medisch materiaal naar binnen aan het sjouwen.
‘Die gaan zeker met ons mee?’ wees Mattia naar de soldaten.
Malcolm knikte. ‘Het Zuiden van de VS wordt voor een groot deel beheerst door bendes. Ze vallen alles en iedereen aan die in hun territorium komt.’
‘Dat kennen we’, zei Boran.
‘Wij eten bendeleiders als ontbijt’, zei Mattia en gaf zijn makker een vriendschappelijke stomp.
‘Is dat zo?’ lachte Malcolm. Hij wist natuurlijk niets af van Borans avontuur met de Cycloop en dacht dat Mattia een grapje maakte.
‘Er gaan vijf man mee met de Citadel, stuk voor stuk uitstekende schutters. Met wat geluk, hoeven jullie geen bendeleiders te eten.’
Walt had zich ondertussen al bij de anderen gevoegd. De twee mannen stelde Malcolm voor als Francis en Rock en de twee vrouwen als Dany en Chris. Ze zagen er in ieder geval niet als doetjes uit en Rock, die met een gekartelde dolk iets tussen zijn vingernagel uit pulkte, keek de drie kinderen smalend aan. In zijn ogen waren ze kleuters en de kruisbogen die ze bij zich hadden niet meer dan speelgoed.
Zodra Malcolm iedereen had voorgesteld, viel er niets meer te zeggen. De soldaten bleken niet echt spraakzame types te zijn en alleen Aura en de kapitein spraken voldoende Engels om een gesprek te beginnen. Boran had gemerkt dat Malcolm tijdens het gesprek voortdurend van Nederlands naar Engels overging en weer terug. Het fascineerde hem dat de man zo vlekkeloos Nederlands sprak en hij was vastbesloten om er het fijne van te weten. Misschien kwam hij ook wel uit Europa! Malcolm stond net op het punt om langs het trapje in de cabine van de loc te klimmen, toen Boran hem tegenhield en hem de vraag stelde.
Malcolm glimlachte en zei: ‘Talen leren is een van mijn hobby’s. Ik ken er ondertussen al drieënvijftig.’
Borans mond viel open. Drieënvijftig talen? Dat was een bovenmenselijke prestatie! Daarbij zonk zelfs Aura’s talenkennis in het niets.
Malcolm klom de treden op, die in de flank van de loc waren gebouwd, opende de deur van de cabine en ging naar binnen.
Boran, nog steeds van de kaart, ging hem achterna. Malcolm stond over het instrumentenbord gebogen en controleerde nog een laatste keer of alles naar behoren werkte. Niet alleen de buitenkant was omgebouwd, ook de binnenkant had een grondige metamorfose ondergaan. De cabine was groter gemaakt, zodat er ook passagiers mee konden en er waren vier extra stoelen uit een reizigerswagon verankerd in de vloer. Aan de linkerzijde in de achterwand was een smal deurtje, dat naar de elektrische
installatie voerde, die het meeste plaats innam. Er waren vier immense elektromotoren, een transformator, zo groot als een volwassene en een indrukwekkend koelsysteem met een ventilator waarvan de bladen zo lang waren als Boran. De jongen wist nu ook waarom Malcolm met hen meeging. Zo’n trein reed uiteraard niet vanzelf en hij staarde zich blind op de beeldschermen, de hendels en de knoppen. Malcolms fenomenale talenkennis, was hij alweer vergeten.
‘Malcolm?’
‘Yep?’
‘Ben jij de enige die weet hoe je dit ding moet besturen?’
‘Nee hoor. Zowat iedereen in de basis kan een loc besturen en ook de vijf soldaten die meegaan weten hoe het moet. Je hoeft je dus geen zorgen te maken als er iets met me zou gebeuren.’
Boran ging naast Malcolm zitten, die achter de knoppen plaats had genomen.
‘Is het moeilijk?’
‘Het is geen auto en je moet verdomd goed weten hoe je die rauwe kracht de baas blijft.’ Hij wenkte hierbij naar de achterwand, waarachter de vier elektromotoren stonden.
‘Zou ik het kunnen leren?’
Malcolm lachte zijn smetteloos witte tanden bloot.
‘Je kunt toch niet de hele reis aan één stuk door rijden. Ik bedoel, je moet af en toe toch rusten?’
Malcolm leek er even over na te denken en zei toen: ‘Zodra we de kans hebben, leer ik het je.’
Boran glunderde opgewonden. Dit moest vast nog ingewikkelder zijn dan Mattia’s reactorbrommer en het leek hem best spannend om achter de knoppen te zitten van zo’n machine. Mams had hem vroeger wel eens geleerd hoe hij de truck moest besturen, maar hij was te klein geweest om bij de pedalen te kunnen en tegelijkertijd door de voorruit te kijken. Dat was hier niet eens nodig. Drie schermen, die aan de zoldering boven de voorruit waren vastgemaakt, toonden niet alleen de rails voor de trein, maar ook de twee zijkanten van de locomotief en gaven je in een oogopslag een heel overzicht van alles wat er zich rond de trein afspeelde.
Het was bijna middag toen alles klaar was om te vertrekken. Iedereen klom aan boord; de soldaten in de Citadel, de kinderen en de kapitein in de stoelen achterin en Bliksem had een plekje uitgekozen onder Mattia’s stoel. Boran mocht naast Malcolm achter het instrumentenbord zitten, zodat hij kon toekijken hoe de trein bestuurd werd.
Walt kwam melden dat iedereen klaar was en dat was het teken voor Malcolm om de loc te starten. Hij schakelde de stroomtoevoer in en drukte op een knop. Met een denderend gehuil kwamen de motoren achter hen op gang. Malcolm wachtte tot ze op volle toeren draaiden en duwde toen een hendeltje heel voorzichtig vooruit. Met een schok kwam de trein in beweging en langzaam, heel langzaam begon hij snelheid op te pikken.

Winkelwagen