© 2017 – Solid Tales
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘De nieuwe veroveraars’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.
Een paar minuten later verminderde het bootje zijn snelheid en kwam langszij het grote schip. Boran keek met open mond naar boven. Nog nooit in zijn hele leven had hij zoiets gigantisch gezien. Nautilus stond er in sierlijke letters op de boeg geschilderd. Letters zo groot als twee volwassen mannen die op elkaars schouders stonden. Maar je zag ook meteen dat deze drijvende stad nu niet meer voor plezierreizen werd gebruikt. Op het promenadedek waren mortieren en raketwerpers gemonteerd en de opvarenden van de sloep waren allemaal gewapend.
Het bootje dobberde naar een openstaande laaddeur, die toegang tot het ruim gaf en er werd een loopplank gelegd, zodat de kisten, vaten en zakken makkelijk naar binnen konden gedragen worden.
Bliksem begon te spartelen en te wringen in Borans armen.
‘Nee! Kalm!’ suste de jongen zo stil mogelijk, maar de wasbeer wurmde zo, dat Boran hem wel los moest laten. Hij had ongetwijfeld opnieuw een geurspoor opgepikt en schoot er vandoor.
‘Bliksem! Hier!’ siste Boran, maar hij zag de wasbeer nog net over de loopplank rennen en in het ruim van het schip verdwijnen. Boran kreunde, maar dat veranderde al snel in een schreeuw van pijn toen iemand hem bij zijn haar pakte en hem overeind sleurde.
‘Kleine dief!’
Boran wilde protesteren dat hij geen dief was, maar de andere vuist van de man plantte zich keihard in zijn maag, waardoor er alleen nog maar een verstikt gesnik uit zijn mond kwam. Hij zakte door zijn knieën, maar de hand, die zijn haar vast had, hield hem overeind en trok hem mee.
Boran strompelde achter de man aan met zijn ene hand op zijn hoofd om te voorkomen dat de hele pluk haar met huid en al uit zijn kruin werd getrokken en zijn andere hand op zijn buik, waar een knagende pijn woedde. Daarbij moest hij ook nog eens uitkijken dat hij niet struikelde op het met rommel bezaaide dek, want als hij viel, zou de man niet stoppen en hem bij zijn haar als een zak graan achter zich aan slepen – iets waarvan Boran vermoedde dat het nog meer pijn deed. Hij merkte maar half dat de man
hem de loopplank op trok, de buik van het grote cruiseschip in.
Het scheepsruim was net een reusachtige opslagloods. Fel licht scheen op honderden kratten, vaten, dozen en kisten. Boran zag dat de stalen deuren aan boord ovaal waren. Hij kon nog net voorkomen dat hij met zijn voet achter de rand bleef haken. Zou die vent hem soms bij zijn haar het hele schip door sleuren? Gelukkig dumpte de man zijn vangst een paar meter verder, voor een struise kerel. Hij liet eindelijk Borans haar los en gaf de jongen een harde por tegen de schouder, zodat hij vooruit strompelde en bijna op zijn knieën viel. Boran herkende de man die voor hem stond; het was de kale getatoeëerde die hij in Westereind had gezien. Nu hij hem zo van dichtbij zag, merkte hij dat hij niet alleen flink wat tatoeages op zijn armen en schouders had, maar ook een aantal nare littekens. Zijn mouwloze shirt en spijkerbroek waren oud en droegen de sporen van ontelbare verstellingen en aanpassingen, maar ze zagen er schoon en verzorgd uit. Aan zijn voeten had hij stevige soldatenschoenen. Een borstelige snor bedekte
zijn mond, maar zijn grijze ogen leken dwars door Boran heen te kijken.
‘Wat hebben we hier, Glenn?’
‘Een rattenjong, Chipper. Hij lag op de loer om iets te stelen.’
Boran zag nu dat de man die hem gevangen had, de dikzak was die de truck bestuurd had. Hij had kortgeschoren blond haar en het enige gezag dat hij uitstraalde was afkomstig van de Glock, die tussen zijn broeksriem stak.
De getatoeëerde man, die blijkbaar Chipper heette, keek opnieuw naar Boran. Eigenlijk keek iedereen in de buurt nu naar hem en hij kreeg er kippenvel van.
‘We moeten hier niets van dieven hebben’, snauwde Chipper.
‘M-maar ik ben geen dief!’ protesteerde Boran. ‘Ik ben gewoon…’
’PATS! Een vlakke hand in zijn gezicht deed de tranen in zijn ogen springen.
‘Je spreekt pas als ik je iets vraag! Begrepen?
’Boran knikte.
‘Je wilt dus beweren dat je geen dief bent?’ ging de man verder. ‘Dat maakt je ook nog tot een leugenaar! En weet je wat we met dieven en leugenaars doen?
’Boran schudde voorzichtig nee.
Hierop pakte de man Borans Ruger uit de holster, haalde met zijn duim de slagpin over en plaatste de loop tegen de bandana op Borans voorhoofd. Een glanzende 9mm patroon zat klaar in de cilinder om zich met fantastische snelheid door Borans hersenpan te boren. Een koelbloedige executie. Het zou snel gaan.
Nog voordat hij de knal van de revolver zou horen, zou hij al dood zijn.
‘Denk je dat je mij kunt raken met die kruisboog voordat ik de trekker overhaal?’ vroeg Chipper. Er speelde een ziekelijke grijns rond zijn mondhoeken en Boran vermoedde dat de man gestoord genoeg was om het te doen. De dikzak, die Glenn heette, lachte op een irritant hoog toontje.
‘Met welke kruisboog?’
Borans hart sprong op toen hij die stem hoorde. Hij keek op en zag Mattia bovenop de kist achter Chipper staan, zijn geladen kruisboog recht op de kale kop van Borans belager gericht. Bliksem stond naast zijn baasje. Toen de wasbeer hem gevonden had, wist Mattia meteen dat Boran hier was en hij was zijn pluizige maatje gevolgd. Nu staarde de kleine witte wasbeer de getatoeëerde man vurig aan met zijn gemaskerde kraaloogjes.
Glenn had ook bliksemsnel zijn pistool getrokken en richtte op Mattia. Het was zo’n situatie die alleen maar opgelost kon worden wanneer een van de drie zich gewonnen gaf… of het eerste schot loste. Dat wist Mattia ook wel. Als de situatie uit de hand liep, maakte hij geen schijn van kans. Hij had maar één schot en Glenn had er zeventien in het magazijn van zijn Glock. Maar Mattia wist ook dat de mannen hier aan boord geen dommeriken waren.
‘Kleine etter!’ schold Chipper zonder om te kijken.
‘Wat is hier aan de hand?
’Dat was een andere stem. Een zware, luide stem, afkomstig van een grote man in een verzorgd donkerblauw uniform. Hij droeg een zwarte baard en had een blauwe baret op zijn hoofd. Hij was vast de oudste aan boord en in tegenstelling tot Glenn, had hij geen wapen nodig om gezag en respect uit te stralen. Hij deed het gewoon, alsof hij ermee geboren was.
‘Wapens neer!
’Chipper liet meteen Borans revolver zakken en ontspande de slagpin. Glenn stopte zijn Glock weg.
Alleen Mattia hield zijn kruisboog met een stuk geslepen betonijzer erin nog steeds hardnekkig op Chippers oor gericht.
‘We hebben een dief gevat, kapitein,’ zei Chipper, ‘maar de nieuwe bedreigt me met zijn kruisboog!’
‘Laat die boog zakken!’ beval de kapitein. Mattia voelde er niet veel voor om zijn machtspositie in deze situatie prijs te geven, maar hij wist ook dat hij beter kon doen wat hem werd opgedragen en richtte zijn wapen uiteindelijk op het deksel van de kist, waarop hij stond.
Het was stil geworden in het scheepsruim. Alle bedrijvigheid was gestaakt en iedereen hier beneden wachtte nu vol spanning op wat er zou gaan gebeuren.
De kapitein keek Mattia strak in de ogen en de jongen staarde dapper terug.
‘Boran is geen dief!’ zei hij. ‘Hij is m’n vriend en dat kale prentenboek hier, wou hem doodschieten!’
‘Is dat zo?’ bromde de kapitein. ‘Je kunt me dus met de hand op je hart zweren dat deze jongen geen dief is?’
‘Als hij ooit iets steelt, mag je mij persoonlijk voor de kop schieten’, antwoordde Mattia.
Dat leek de kapitein te overtuigen en hij knikte goedkeurend.
‘Geef het joch zijn wapen terug, Chipper!’
‘Maar…’
‘Negeer je mijn bevel?’
‘Nee kap’tein.’ Chipper gaf Boran meteen, maar zonder veel enthousiasme zijn Ruger terug.
‘En nu iedereen weer aan het werk! We varen binnen een uurtje af!
’Chipper, Glenn en de andere bemanningsleden die waren komen kijken, gingen opnieuw aan de slag.
Mattia sprong van de kist, maar voordat hij iets tegen Boran kon zeggen, nam de kapitein het woord.
‘Zo, jij heet dus Boran.’ Zijn harde stem was een beetje gedempt, maar straalde nog steeds hetzelfde gezag uit. ‘Ik ben de kapitein van de Nautilus.
’Hij stak zijn hand uit. Boran aarzelde even, maar voelde op een of andere manier toch aan dat de kapitein een man van zijn woord was. Hij schudde de uitgestoken hand.
‘Je hebt je bezeerd, zie ik.
’Boran had niet eens gemerkt dat hij een bloederige schram aan zijn elleboog had opgelopen tijdens zijn reis door het scheepsruim. Al zijn aandacht was toen bij zijn haar in Glenns vuist geweest.
De kapitein haalde een schone witte zakdoek uit zijn broekzak, net zo wit als Borans bandana, en maakte de wond schoon.
‘Hoe oud ben je?’
‘Ik ben twa….’
‘Vijftien’, zei Mattia.
‘Je ziet er jong uit voor je leeftijd.’
‘Ja, maar hij is sterk en heeft meer ballen aan zijn lijf dan de meeste die hier rondlopen’, sprak Mattia en voegde er toen nog snel ‘kapitein’ aan toe.
De kapitein keek naar de kleine, tengere jongen voor zich en leek moeite te hebben om Mattia’s woorden te geloven. Toen glimlachte hij en zei: ‘Of je nu vijftien bent of niet, ik ken niet veel jochies die niet meteen in hun broek plassen als er een geladen revolver op hun hoofd gericht wordt.’ Toen gaf hij Boran een stevige klap op de schouder en het volgende moment was hij tussen de bemanning verdwenen.
‘Je mag blijven’, zei Mattia, maar hij klonk er niet echt gelukkig bij. Boran voelde opluchting, maar tegelijkertijd was er ook weer die knagende angst vanbinnen, die hij ook had gevoeld bij zijn vertrek.
‘Kom, dan laat ik je zien waar je slaapt.
’Mattia liep voorop door een van de ovale stalen deuren met Bliksem achter hem aan.
‘Ik hoop dat je tevreden bent’, bitste Boran terwijl hij Mattia probeerde bij te houden in de lange stalen gang.
Mattia stopte en draaide zich bruusk om.
‘Tevreden?’ riep hij boos. ‘Ja, ik was tevreden, tot jij besloot om achter me aan te komen, terwijl ik je had gevraagd om in Westereind te blijven! Je hebt verdomme je geluk opgegeven om…’
‘Om bij mijn broer te zijn?
’Mattia zweeg. Hoewel ze geen enkele familieband hadden, waren ze inderdaad broers. Bloedbroeders.
‘Ik heb de juiste keuze gemaakt’, ging Boran verder. ‘Net zoals jij vindt dat je de juiste keuze hebt gemaakt.’
Mattia’s norse uitdrukking verdween en maakte plaats voor een kleine glimlach, die steeds breder werd en een dubbele rij hagelwitte tanden ontblootte. Het was maanden geleden dat Boran zijn vriend nog zo had zien lachen.
‘Geen wonder dat we zo goed bij elkaar passen. Jij bent verdomme even koppig als ik!’ zei hij en legde zijn arm over Borans schouder. ‘Kom mee, broertje. Dit schip is echt waanzinnig!’