© 2019 – Pelckmans Uitgevers
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘De heksen van Vernalia’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.
Helderzand was niet meer dan een hoop vervallen huisjes die wanordelijk door elkaar stonden, als een hoop wrakhout door een vloedgolf op de kust geworpen. De vuurtoren stond nog steeds koppig overeind op een rots een eindje van de kust. Maar het licht was gedoofd, net zoals het leven in wat ooit vast een bruisend vissersdorpje was geweest. Verder naar het oosten lagen rotsen waar de golven met donderend geraas tegenaan beukten. Buiten het krijsen van de meeuwen, die zich tussen de rotsen tegoed deden aan aangespoelde schaaldieren, was er geen teken van leven. Terwijl ze tussen de ruïnes liepen, werden Liss, Valdemar en Yandra aangestaard door honderden lege ramen en deuren. Doorheen de jaren hadden stormen en hoogtij hier lelijk huisgehouden. Er was geen enkel luik dat nog met al zijn scharnieren vastzat en de meeste daken waren, net zoals de bewoners, met de noorderzon vertrokken.
‘Ik verga van de honger’, zeurde Valdemar terwijl hij met beide handen zijn knorrende lege maag omklemde.
‘Als we het karveel vinden dat Yandra’s vader heeft beloofd, zullen we vast wel te eten krijgen’, zei Liss.
Aan de andere kant van het dorpje, bij de kustlijn, lag de steiger waar, volgens Rodius Zonderland, de schepen aanmeerden die dat liever niet onder de neus van kapitein
Braga en zijn soldaten deden. De steiger was ook niet in dezelfde erbarmelijke staat als de rest van Helderzand. Hier en daar waren planken in het dek vervangen en verschillende steunbalken waren gloednieuw.
De zon was nu helemaal onder en het werd stikdonker. Alleen een dunne halve maan zorgde voor een klein beetje licht. De kinderen gingen een vissershut binnen die in de
buurt van de steiger stond. Het dak was weg en ze zouden niet veel beschutting hebben als het weer zou gaan regenen, maar ze moesten in de buurt blijven voor wanneer het
karveel zou opdagen.
‘Een van ons moet de wacht houden’, zei Valdemar.
‘We houden best om de beurt de wacht’, stelde Lissanda voor. ‘Zo hebben we allemaal de kans om voldoende te rusten.’
Ze plukte drie stengels dor duingras, maakte er eentje heel kort en hield ze vervolgens in haar gesloten vuist zodat ze allemaal even lang leken.
Valdemar en Yandra trokken elk een sprietje, waarna ze allemaal hun hand openden. Lissanda had het kortste eind, maar dat deerde haar niet. Wie als eerste de wacht moest
optrekken, kon achteraf ook langer slapen.
Terwijl Valdemar en Yandra in de vissershut een plekje opzochten dat min of meer droog was, ging Liss in de vensteropening zitten en staarde ze van daaruit over de donkere golven. De memolynx kroop zacht en warm op haar schouder en Liss kon een zachte stem horen in haar hoofd. De sterrenhemel was adembenemend. Een uitbarsting van
planeten, kometen en sterrennevels die haar een ontzettend nietig gevoel gaf. Hier beneden waren twee landen in oorlog, terwijl de oneindigheid van het heelal er geen sikkepit om gaf of beide volkeren elkaar uitroeiden. Het waren niet haar eigen gedachten, maar de stem van de memolynx die met haar leek te praten.
‘Eigenlijk zouden we je een naam moeten geven’, zei Liss terwijl ze het diertje aaide.
Nu ze stilaan weer tot rust kwam, voelde ze de vermoeidheid zwaar doorwegen en haar oogleden leken wel zware luiken. Het kostte haar al haar kracht om ze open te houden.
Ze schrok wakker uit een nare droom waarin ze getuige was van haar eigen executie. Op het moment dat de bijl met een droge klap neerkwam, sloeg ze haar ogen op en
ze zuchtte opgelucht. Maar de klap van de bijl leek nog na te zinderen over het duistere spookdorp Helderzand. Nee, het was geen bijl. Ze hoorde wel degelijk ratelende knallen zoals het vuurwerk dat de Oostlingen afstaken wanneer ze de Jaarwende vierden. De horizon op zee lichtte met oranje flitsen op. Het leek wel onweer dat mijlenver vervaarlijk woedde, maar dan zou het gerommel zwaarder geweest zijn.
Liss slaakte bijna een gil toen ze een hand op haar schouder voelde. Valdemars gezicht werd vaal verlicht door de maan en ze kon een glimlach onderscheiden. Was het al zijn beurt om de wacht te houden? Hoelang had ze geslapen?
‘Een zeeslag’, zei Valdemar met zijn blik naar de flitsen aan de horizon. De jonge cadet was wakker geworden door het geratel van de kanonnen in de verte en het was vroeger dan Lissanda had gedacht.
‘Hopelijk winnen de Vernaliërs’, zei ze. Of was het misschien weer een Vernalische aanval op de haven van Nederhaven?
Valdemar knikte. ‘Ga maar slapen. Ik neem het wel van je over.’
Liss liet zich uit het venstergat op de vloer zakken.
‘Bedankt.’
Valdemar fronste zijn wenkbrauwen. ‘Waarom?’
‘Omdat je me komt vervangen. De meeste jongens zouden gewoon blijven doormaffen tot ik ze wakker maak’, zei Liss, hoewel ze besefte dat ze waarschijnlijk zelf nog aan het slapen zou geweest zijn als het lawaai van de zeeslag haar niet had gewekt.
‘De meeste jongens hebben ook geen militaire opleiding gehad’, antwoordde Valdemar en hij hees zich op zijn beurt in het raam.
Liss liep naar het hoekje waar Yandra sliep en hoopte dat de plek van Valdemar nog een beetje warm zou zijn.
‘Liss!’
Valdemars stem klonk haast oorverdovend en ook Yandra werd met een ruk wakker. Lissanda draaide zich om en rende terug naar het raam. Valdemar tuurde over de oceaan.
In het westen knipperde de horizon nog steeds in het licht van de kanonschoten. Maar Valdemar staarde pal naar het zuiden, in het nachtelijke duister. Lissanda zag het nu ook. Een minuscuul klein lichtje tekende zich af in de nacht. Een lichtje dat omhoog en omlaag deinde op de golven. Lissanda stak haar vinger in de lucht en die gloeide fel op. Het was eerder een begroeting, want aangezien het schip hier wel vaker kwam, had het vast geen baken nodig om de kust te vinden.
Lissanda en Yandra glimlachten toen ze een tweede lichtje zagen verschijnen, vlak naast het eerste lichtje. Het nieuwe lichtje ging aan en uit. Een teken dat ze hen gezien hadden! Het maanlicht brak door de wolken terwijl het Vernalische karveel in haar volle glorie voor anker ging voor de kust van Helderzand. De zeilen waren gestreken en de mast stak als een skeletachtige arm omhoog in de ochtendlucht.
Vanaf het strand keken de drie tieners zwijgend toe hoe een klein sloepje zich losmaakte van het schip en langzaam in de richting van de steiger kwam. In de sloep konden ze twee donkere gestalten onderscheiden.
‘Hopelijk hebben ze wat te eten bij’, zei Valdemar.
Liss voelde de memolynx wegkruipen tussen haar nek en de hoge kraag van haar kapmantel.