© 2014 – Pelckmans Uitgevers
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘De helm van Armata’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.
Tegen de sneeuwzwangere hemel tekenden de vogels zich af als duizend zwarte vliegers, gedragen door de wind en de hete dampen die opstegen uit de ruïnes. Hun schorre kreten vulden de lucht met een hels concert. Een van de kraaien scheerde met gespreide vleugels door de lucht en daalde in een wilde spiraal naar de puinen van de Dunstrische hoofdstad Brynward. De dunne, haast transparante sneeuwsluier die de ruïnes bedekte, leek te stralen onder de invallende duisternis. In het centrum stonden nog gebouwen overeind, kreunend op hun funderingen en vaak vervaarlijk vooroverhellend. De kraai streek klapwiekend neer op het dak van de belforttoren, die zwaar gehavend en triest boven de ruïnes van de markthallen uit rees. Een spookachtig silhouet tegen de zwarte wolken van rook en as, die nog steeds uit het noorden van de stad opstegen. Daar deed de hitte de sneeuwvlokken smelten nog voor ze de grond raakten en was alles grijs en dood. De vogel spreidde opnieuw zijn vleugels en fladderde van de toren naar beneden. Op het verwoeste marktplein schaarde hij zich bij de honderden andere zwarte vliegers, die zich krijsend en scheldend te goed deden aan de doden.
Brynward brandde verder uit, als een lucifer die gulzig verteerd werd door de vlam, tot er alleen nog maar een verkoold eindje over bleef dat verpulverde tussen je vingers. Hier waren alleen nog maar dood en ijs.
Het zwarte leger was deze ochtend uit de stad weggetrokken. Ruim vierentwintigduizend inktzwarte harnassen dreunden door de vallei en deden de rotsen daveren. Toch was dit slechts een deel van het gigantische leger van honderdtwintigduizend man dat Lystar in de herfst op de been had gebracht. Maar het volstond. De gedachte dat elders in Dunstrië nog eens tachtigduizend soldaten onderweg waren hierheen, was genoeg om zelfs de dapperste en meest ervaren generaals de moed in de schoenen te laten zinken. In de verte sneden de scherpe toppen van de Keten van Brynward in de grijze lucht. In de vallei, die als een kom door steile rotswanden werd ingesloten, rees de machtige Citadel van Brynward boven het landschap uit: een immense versterkte vesting van acht ommuurde plateaus, die schuin boven elkaar tegen de bergwand aan waren gebouwd. Het was de zetel van de Dunstrische kroon, het hart van Dunstrië en het laatste bastion waar de geallieerde legers van Dunstrië en Cyndrië en het Elfenleger zich hadden teruggetrokken. Als de Citadel viel, viel het hele land.
Daarnaast was de Citadel ook het toevluchtsoord voor een driehonderdtal burgers uit het verwoeste Brynward die de veiligheid van de Citadel hadden verkozen boven een onzeker leven als vluchteling. Dat waren vooral bejaarden, vrouwen en kinderen, die zich ophielden in de catacomben, diep onder in de berg.
Boven op de wallen van de Citadel speelde een eenzame fluitspeler een treurlied voor zijn stad en voor de vele duizenden zielen die waren achtergebleven tussen haar ruïnes.
Taryn zat met zijn knieën opgetrokken tussen de kantelen en luisterde ingetogen naar de droeve klanken die zich met de sneeuw vlokken mengden en langs de bergflanken dwaalden. Hij kende het lied. Lang geleden had hij het eens gehoord in Conwynheim, waar hij geboren was. Het was het Lied van de vogels, een bekend Dunstrisch treurlied. Het bezong de onbezorgde vrijheid van een vogel tussen de wolken. Een vrijheid die hij uiteindelijk moest prijsgeven om eenzaam te sterven op de koude grond. Ooit komt er een eind aan al wat mooi is. Het lied beet in Taryns hart en nestelde zich als een harde brok in zijn keel. Taryn voelde de koude vlokken op zijn gezicht. Ze smolten op zijn wangen en trokken tranen naar zijn kin.
Hier op het hoogste plateau van de Citadel van Brynward, waaide de ijskoude bergwind hard en meedogenloos. Ze deed de sneeuwtranen verdampen, rukte aan Taryns mantel van zilvergrijs narwenbont en woelde door zijn lange, blonde haar. Af en toe wiste de jongen een natte lok weg, die voor zijn ogen was gaan hangen. Hij keek vanaf de wal naar beneden, naar de zeven onderliggende plateaus van de Citadel, waar de voorbereidingen in volle gang waren. Steenslingers en IJzeren Draken werden in stelling gebracht, muren werden opgehoogd en overal klonk het gehamer op de aambeelden en het schuren van de slijpstenen waar de wapens werden gescherpt. Helemaal beneden, op het laagste plateau, sleepte Vonkje de draak zware boomstammen aan, waarmee de grote poort werd gebarricadeerd. Op de rug van de draak kon Taryn het leren harnas zien met de kleine gestalten van de kabouters Berik en Iuri. Hij verbaasde zich over de moed en het doorzettingsvermogen van de twee Nezin. Na wat hij in Brynward had gezien en meegemaakt en nu zijn beste vriend door de vijand gevangen was genomen, was alle strijdlust uit hem verdwenen. Hun legers waren in de pan gehakt en hoewel hij nog maar een jongen van dertien was en geen generaal, wist Taryn maar al te goed dat er geen hoop meer was op overwinning. In de verte, diep in de vallei, zag hij Lystars massieve leger naderen als een rivier van zwarte pek, die zich moeizaam door de nauwe doorgang naar de Citadel heen perste. Traag was het leger wel, maar ook meedogenloos en niet te stoppen. Taryn wendde zijn blik af van het naderende vijandelijke leger en veegde met een zucht het vocht van zijn wang, niet goed wetend of het sneeuw of tranen waren. Iedereen had hem verzekerd dat Sander nog leefde en ook al had Taryn de neiging om niemand te geloven, toch voelde hij op een of andere manier dat ze de waarheid vertelden. Sander was niet zomaar een hindernis die uit de weg geruimd moest worden. Hij was de kroonprins van Cyndrië en bijgevolg heel waardevol voor de vijand. Maar dat betekende ook dat ze hem nooit zouden laten gaan. De voorbije dagen was er een plan beginnen te broeden in Taryns hoofd — een reddingsactie in het hol van de leeuw. Een idee dat zijn meester Caldric als waanzin zou bestempelen en hij zou nog gelijk hebben ook. Als Taryn in zijn eentje zijn beste vriend zou proberen te bevrijden, dan was de kans veel groter dat hij zelf gevat zou worden. Dan zouden ze hem weleens kunnen gebruiken om Sander onder druk te zetten. Op dit moment had Sander niets te verliezen, maar als ze zouden dreigen om zijn vriend voor zijn ogen in stukjes te snijden, kon hij weleens beslissingen nemen die de oorlog in het voordeel van Lystar zouden doen uitdraaien. Vriendschap was een krachtig wapen, dat echter ook tegen iemand gebruikt kon worden. En toch liet het plan Taryn niet los. Het maalde in zijn hoofd en tevergeefs kneedde hij het op allerlei manieren om het waterdicht proberen te maken.
Taryn keek verrast op toen iemand een warme wollen deken over zijn schouders legde en glimlachte toen hij in de groene ogen van de jonge heks Astraea keek. Astraea was dan wel tweehonderdzesendertig jaar oud, ze zag er tweehonderd jaar jonger uit en was behoorlijk knap. Haar lange haar glansde diepzwart en wapperde in de ijzige wind die hierboven blies. Ze keek Taryn aan met een geruststellende glimlach. Natuurlijk wist ze wat hij dacht. Hij had het er met haar al eens over gehad, maar ook Astraea had Taryn op het hart gedrukt om zijn plan te laten varen. Sander was voorlopig veilig. Onbezonnen acties konden die veiligheid weleens in het gedrang brengen.
‘Ik ben blij dat je er nog bent’, zei Astraea. ‘Het betekent dat je mijn advies ter harte neemt.’
‘Ik ben niet dom’, bromde Taryn. ‘Maar ik wil hier ook niet op mijn luie kont zitten terwijl Sander daar vastgehouden wordt!’
‘Op dit moment gaat de versterking van de Citadel voor alles. We moeten de vrouwen, kinderen en ouderlingen in de catacomben beschermen. Als je niet op je luie kont wilt zitten, ga dan helpen bij de verdedigingswerken.’
Taryn keek opnieuw naar de vallei en naar het immense leger dat langzaam dichterbij kwam.
‘Wat heeft het voor zin? Ze hebben Brynward met de grond gelijkgemaakt en nu is de Citadel aan de beurt.’
Astraea gaf hem een bestraffende blik. ‘Alleen een Orakel kan in de toekomst kijken, Taryn van Conwynheim. En zover ik weet, sta jij niet in contact met de goden.’ Ze gaf de jongen een knipoogje, waardoor een kleine glimlach om Taryns mondhoeken verscheen.
‘Maar je hoeft toch geen orakel te zijn om te zien wat er zal gebeuren? We hebben verloren, dat ziet zelfs het kleinste kind!’
‘Ons lot stevent op ons af als een rotsblok’, zei Astraea. ‘Als je gaat tobben dat het rotsblok je zal verpletteren, dan zal dat ook gebeuren. Je kunt ook alles in het werk stellen om het rotsblok te stoppen. Dat zal misschien niet helemaal lukken en je zult het er misschien met flink wat kleerscheuren van afbrengen. Maar vechten is nog altijd beter dan lijdzaam je lot te ondergaan. Zelfs al is dat lot nagenoeg onafwendbaar.’
Taryn knikte en Astraea aaide hem over zijn bol.
‘Sander staat daar beneden niet alleen. Dat beloof ik je.’