Johan Vandevelde op Facebook Johan Vandevelde op Goodreads Johan Vandevelde op Instagram Johan Vandevelde op MeWe Johan Vandevelde op LinkedIn Johan Vandevelde op Pinterest
Donderdag, 22 april 2021


Wolfsangel: Purgatorium - fragment
© 2019 - Uitgeverij Van Halewyck
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘Wolfsangel: Purgatorium’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.


Purgatorium‘4399 voor de directeur.’

De directeur… Jarne wist niet of dat goed of slecht was.

De cipier achter het kogelwerende glas keek naar zijn scherm, tikte iets aan met zijn vinger en knikte toen dat het goed was. Het automatische slot van de traliedeur naar het hoofdgebouw klikte open. Net zoals bij het binnenkomen, waren er nog een aantal grote traliedeuren, maar die gingen open met een ouderwetse sleutel. De cipier bracht Jarne door een gang naar de kantoren in het hoofdgebouw, die om begrijpelijke redenen bijzonder goed waren afgeschermd van de rest van de gevangenis. Hier was het mooier ingericht, met houten lambrisering tegen de muren en hoge ramen als in een kerk. Maar ook de ramen in dit gedeelte van de gevangenis hadden stevige tralies. De cipier leidde Jarne naar boven langs een houten trap, die kraakte onder iedere stap. Boven klopte hij aan bij een donkere eiken deur en toen er een doffe ‘Ja’ klonk aan de andere kant, liet hij Jarne naar binnen. Zelf bleef hij buiten bij de deur staan.

Het kantoor was ouderwets en smaakvol ingericht, met antiek parket op de vloer. Er stonden eiken meubelen en een grote bibliotheek met lijvige naslagwerken over wetten en gevangenissen en tientallen ordners die alfabetisch stonden gerangschikt. Ook het raam van het directiekantoor was aan de buitenkant bezet met tralies en Jarne kon de hoge bakstenen muren zien die de gevangenis omringden.

Achter de imposante eiken schrijftafel zat een man met grijs haar en een even grijs ringbaardje. Hij droeg een donkergrijs pak met een zilveren wolfsangel op de revers, alsof hij zijn garderobe opzettelijk had afgestemd op de kleur van zijn haar. Zijn gezicht was mollig en nors en hij keek Jarne aan met twee piepkleine oogjes onder zijn borstelige grijze wenkbrauwen. Zijn uitdrukking was die van een bioloog die een nieuw vreemdsoortig insect bestudeerde. Er stond een stoel, maar hij maakte geen enkele aanstalten om Jarne te laten zitten. Jarne durfde dat ook niet ongevraagd te doen en wachtte met bonzend hart op wat er zou komen. De man zei niets, maar sloeg een lijvige map open die voor hem op het schrijfvlak lag. Jarne zag zijn foto op het voorste blad. Zijn dossier was ondertussen zo dik als een vuist.

‘Nummer 4399’, sprak de directeur met een diepe stem. Jarne durfde niet te antwoorden; hij durfde zelfs niet te knikken. Dat verwachtte de man ook niet, aangezien hij heel goed wist welke jongen er voor hem in zijn kantoor stond. Hij vouwde zijn handen samen over Jarnes dossier en keek de tengere veertienjarige aan met een blik die vuur in ijs kon veranderen.

‘Ik ben de directeur van de Penitentiaire Instelling voor Minderjarigen. Binnen deze muren gebeurt er niets zonder dat ik ervan op de hoogte ben. Ik weet wie jij bent en ik weet waarom je hier zit. Ik weet wat je gedaan hebt en als het aan mij lag, kreeg je meteen de kogel.’

Jarne slikte moeizaam. Zijn hart racete als bezeten.

‘Jammer genoeg ligt het niet aan mij’, ging de directeur verder. ‘Je hebt waardevolle informatie die de overheid kan helpen om een terroristische cel op te doeken. Dus ben ik verplicht om ervoor te zorgen dat jij zonder kleerscheuren verhoord kunt worden. De cipiers hebben de opdracht om jou zo veel mogelijk in het oog te houden en je te beschermen tegen de andere gevangenen, mocht dat nodig zijn. Je verhuist zo meteen naar een nieuwe cel op niveau vier, zelfde blok. Je zult er de cel delen met drie gedetineerden die jou in het oog zullen houden. De onderzoeksrechter zou bijzonder ontstemd zijn als je het zou klaarspelen om je polsen over te snijden voordat je verhoord kon worden.’

Jarne waagde een beverig knikje, maar de directeur zag het niet.

‘Nog één ding! Denk er maar niet aan om maniertjes te krijgen in mijn gevangenis. Zonder kleerscheuren wil alleen maar zeggen dat we je voorlopig uit het ziekenhuis en vooral uit het kerkhof moeten zien te houden. Als je problemen maakt, dan zal het je zuur opbreken. Dat geef ik je op een briefje. Je kunt gaan!’

Jarne wist niet wat hij moest antwoorden, maar de directeur was alweer in een ander dossier verdiept, dus ging hij stil het directiekantoor weer uit. De aardige cipier die hem hierheen had gebracht was verdwenen en in de plaats stond de kleine dikke die hem die ochtend bij het binnenkomen in de gevangenis in het gezicht had gespuwd en ermee gedreigd had om zijn hoofd tegen de muur te pletter te slaan. Hij grijnsde toen hij Jarne zag.

‘Kijk eens aan, onze moordenaar!’

Hij pakte Jarne ruw bij de arm en sleurde hem de krakende trap af. Jarne moest zijn best doen om niet te struikelen op de treden. Beneden ging de cipier niet rechtdoor naar de gevangenis, maar hij duwde Jarne een zijgang in. In het smalle gangetje brandde geen licht. Er stond alleen wat poetsgerief en Jarne besefte dat hier niemand zou komen.

‘Op je knieën!’ siste de cipier.

Jarne aarzelde, zijn stem trilde. ‘W­Waarom?’

De vuist van de cipier was bliksemsnel en trof hem net naast zijn oog. Jarne knalde met zijn achterhoofd tegen de muur en in een korte flits ging het licht even uit. Hij duizelde van de klap en proefde bloed in zijn mond. Zijn hoofd bonsde en hij werd amper gewaar hoe de cipier hem op de grond duwde. Zijn knieën landden hard op de tegels.

‘Hier is geen waarom! Je doet wat ik zeg, moordenaar!’

Jarne was doodsbang. Hij probeerde zijn tranen te bedwingen, maar dat lukte niet. Hij voelde ze prikken in zijn ogen, maar de cipier hield zijn armen in een ijzeren greep, zodat hij niet kon verhinderen dat een traan warm over zijn wang liep. Dat had geen effect op de man. Jarne kon de kilte in die blik haast aanraken. Een blik van iemand die geen kind voor hem zag, zelfs geen mens, maar een ding waarmee hij kon doen wat hij wilde.

‘Nu ga je mijn schoenen likken! Tot ze helemaal schoon zijn!’

Jarne voelde woede en weerstand, maar hij voelde zich vooral ook erg machteloos. Alles wat hij nu zou doen of zeggen, zou alleen maar tot erger leiden. Jarne aarzelde te lang naar de zin van de cipier en kreeg een harde trap in zijn buik, zodat hij kermend dubbelsloeg.

‘Lik mijn schoenen, moordenaar!’ Jarne snakte naar adem, terwijl hij zijn buik omklemde en voelde hoe de dikke cipier een vuist van zijn gebleekte haar beetpakte. Het voelde alsof hij de hele pluk haar met huid en al uit zijn kruin zou trekken. De cipier duwde Jarnes hoofd naar beneden tot de jongen met zijn neus en lippen het harde zwarte leer van de schoenen raakte.

‘Lik ze helemaal schoon, moordenaar!’

Jarne kneep zijn ogen dicht en proefde het ruwe zoutachtige leer op zijn tong. Het waren maar schoenen, maar de ontzettende vernedering deed nog meer pijn dan de vuist die zijn haar omklemde.

Ontwerp: Johan Vandevelde   © 2002-2021