Nieuwsfeed E-mail Johan Vandevelde op Facebook Johan Vandevelde op Goodreads Johan Vandevelde op LinkedIn Johan Vandevelde op Google+ Johan Vandevelde op Pinterest
Zaterdag, 16 december 2017
Heb je deze al gelezen?



Robin Roover en het schip dat tweemaal zonk
© 2016 - Solid Tales
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘Robin Roover en het schip dat tweemaal zonk’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.


Beluister hier het fragment ingelezen door de auteur!
 


Robin Roover 2Paps hield woord. Toen hij met Robin voet aan land zette, had hij zijn computer niet bij zich. In plaats daarvan haalde hij een kleine reisgids uit zijn jasje en bladerde naar een van de bladwijzers, die uit het boekje staken.

Hij schraapte zijn keel en zei: ‘Le Havre betekent ook letterlijk de haven. Hier mondt de Seine uit in zee. Dat is de rivier die door Parijs stroomt.’ Hij keek naar zijn zoon en liet zijn reisgids zakken. ‘Je kunt Le Havre ook niet met Parijs vergelijken. Parijs is veel groter en ook veel ouder. Je moet me toch eens komen bezoeken in Parijs, jongen. Dan kan ik je de mooiste stad ter wereld tonen.’

‘Euh, oké, pap, maar we zijn nu in Le Havre.’

‘O, ja,’ zei Ludovic en hij keek weer in zijn boekje. ‘Het bijzondere aan deze stad is dat er nauwelijks oude gebouwen te zien zijn. De stad is in 1944, bij een bombardement tijdens de slag om Normandië, nagenoeg volledig verwoest en daarna in moderne stijl weer opgebouwd.’

Robin trok een weinig enthousiast gezicht.

Zijn vader klapte het boekje dicht en zei: ‘Laten we eerst wat te eten zoeken.’

In het stadscentrum kochten ze belegde broodjes, die ze opaten op een bank in het Square Saint Roch-park, dat op het eerste gezicht het enige groene plekje was in het centrum. Overal waar je keek zag je moderne betonnen gebouwen.

‘Het lijkt hier een beetje op... mijn school,’ merkte Robin zuur op.

‘Tja. Maar alles is in dezelfde stijl. Geloof me, dat is bijzonder interessant voor architecten.’

‘Vind jij dat dan ook interessant?’

Ludovic glimlachte. ‘Nou, niet echt, nee. Maar we kunnen wel de Notre Dame du Havre kathedraal gaan bezichtigen. Die is meer dan driehonderd jaar oud.’

Hoewel hij kerken niet bijzonder boeiend vond, deed het brede barokke gebouw Robin tenminste niet aan school en het einde van zijn vakantie denken.

Binnen was het natuurlijk veel stiller en vooral koeler dan buiten op straat. Tussen de zuilen en de houten banken van de kathedraal liepen nog toeristen rond, waaronder ook een aantal mensen die Robin op de Jan Vermeer had gezien. In een hoek van de kathedraal stond een hele groep te luisteren naar een gids die honderduit aan het vertellen was over de geschiedenis van het gebouw.

Robin vond de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouw kathedraal toch wel groter, zoals het een echte kathedraal betaamde.

‘Een kathedraal is niet zomaar een grote kerk,’ legde zijn vader uit. ‘De naam heeft eigenlijk niets met de grootte te maken. Wanneer een kerk de hoofdkerk van een bisdom is, dan wordt ze kathedraal genoemd. Deze kathedraal is met opzet heel laag gebouwd omdat de bodem in Le Havre onstabiel is. De Onze-Lieve-Vrouw kathedraal van Antwerpen zou hier gewoonweg omvallen.’

Robin en Ludovic keken een poosje zwijgend omhoog naar het gewelf en dachten aan omvallende kathedralen.

‘En de Eiffeltoren zou hier natuurlijk ook omvallen,’ voegde Ludovic eraan toen.

‘Pap, we zijn in Le Havre, niet in Parijs!’

‘Oh ja,’ zuchtte Ludovic en bladerde weer door zijn reisgids. ‘Het orgel is een geschenk van Kardinaal Richelieu. Dat is een van de beroemdste kardinalen aller tijden. Hij heeft zelfs oorlog gevoerd!’ Ludovic liet zijn reisgids zakken en keek in een rijkelijk opgemaakt gezicht.

‘Ludo! Wat een toeval!’ zei het opgemaakte gezicht met de stem van Helena Swartenbroeckx.

Robins vader neigde een beetje terug en zei toen: ‘Wanneer je als toerist de stad verkent, ontmoet je elkaar geheid op deze plek.’

Robin zocht naar Pinkie en zag hem in de buurt van het altaar. Met zijn bontgekleurde hawaïhemd, zijn bermuda en zijn sandalen zag hij er als een echte toerist uit. Hij leek de kerk bijna uitsluitend te bewonderen via het display van zijn fototoestel.

‘Hoi, Robin,’ zei hij toen Robins hoofd voor de lens van zijn fototoestel opdook.

‘Hoi!’

‘Waar is je vader?’

‘Waar je moeder is,’ antwoordde Robin. Hoewel ze probeerde te fluisteren, was Helena’s stem door de hele kerk te horen. Ze zei iets over het eten. Robin voelde zich een klein beetje schuldig omdat het zijn taak was om als damesverschrikker zijn vader te beschermen. Maar Helena Swartenbroeckx liet zich door Robins aanwezigheid niet van de wijs brengen.

‘Zou je niet...?’ begon Pinkie, die vermoedelijk hetzelfde dacht.

‘Tja, maar wat moet ik dan doen?’ antwoordde Robin.

‘We kunnen het samen proberen,’ stelde Pinkie voor en zette zijn fototoestel uit. De jongens liepen naar hun ouders, maar kwamen te laat. Helena had reeds plannen gemaakt.

‘Ludo en ik gaan nog een beetje deze prachtige stad verkennen,’ zei ze met een brede glimlach. ‘Keren jullie maar alvast terug naar het schip.’

Robin kon vermoeden dat het verkennen van de stad niet haar enige plan was met Ludovic.

‘Maar... zonder papa vind ik de weg niet terug,’ probeerde hij.

Helena lachte. ‘Maak je maar geen zorgen. Mijn Pieter-Snuitje is hier al vaak geweest. Hij kent de stad als zijn broekzak.’

Pinkie rolde met zijn ogen toen hij hoorde dat zijn moeder haar koosnaampje voor hem zomaar in het openbaar gebruikte. Robin haalde verontschuldigend zijn schouders op naar zijn vader, maar Ludovic gaf hem dapper een knipoogje en stopte hem de plastic keycard toe waarmee hij aan boord van de Jan Vermeer de kamer kon openmaken.

‘Ik zie je wel weer aan boord,’ zei hij en werd toen door Helena naar de uitgang van de kerk getrokken.

Robin schoot een guitige blik naar Pinkie. ‘Zullen wij ook maar gaan, Pieter-Snuitje?’

‘Hou je mond!’ snauwde Pinkie, maar hij moest er zelf ook om lachen.

Toen ze de kerk uit kwamen, waren Ludovic en Helena lang uit het zicht verdwenen.

‘Ik geloof dat de haven... die kant op is,’ zei Pinkie. ‘Of misschien was het toch daarheen?’

‘Je kent de stad dus als je broekzak, hè?’ merkte Robin schamper op.

‘Ik weet waar je hier lekkere pannenkoeken kunt eten,’ zei Pinkie, terwijl hij over zijn kin wreef.

‘Nou, fantastisch! Hoe vinden we de haven dan terug?’

‘Er moet hier vast wel ergens een stadsplan hangen.’

Pinkie en Robin liepen door de straten op zoek naar een stadskaart. Die vonden ze niet meteen en uiteindelijk kwamen ze opnieuw uit bij het Saint Roch-park.

‘Kijk daar!’ wees Robin.

‘Heb je een kaart gevonden?’ Maar nu zag Pinkie ook de man die Robin aanwees. Hij was lang en mager en had een dun snorretje.

‘Dat is toch die goochelaar?’ fluisterde Robin.

‘Huh? Welke goochelaar?’

‘Die illusionist van gisteren in de show! Die Christian Wahnfried!’

‘O, Dokter Waanzin!’ riep Pinkie een beetje te luid. Maar de magere Oostenrijker leek niets gehoord te hebben.

‘Als we hem volgen komen we vanzelf weer bij het schip!’

‘Goed idee!’

De jongens liepen het park binnen en volgden de goochelaar op afstand. Natuurlijk wilden ze niet dat hij hen opmerkte, want hij zou het vast niet op prijs stellen dat hij gevolgd werd door twee snotneuzen, van wie er eentje gisteren zijn show had verknoeid. Bovendien gedroeg Dokter Waanzin zich erg vreemd. Hij keek onrustig in het rond, alsof hij naar iemand op zoek was. Toen hij zich omdraaide trok Robin Pinkie achter een struik. Dokter Waanzin bleef staan naast een lege parkbank en leek op iets te wachten. Had hij misschien gemerkt dat hij gevolgd werd? Gehurkt achter de struik sloegen Robin en Pinkie hem gade.

Wahnfried bleef als geworteld staan. Na een hele poos kwam er een man aan, gekleed in een deftige grijze regenjas. Hij klemde een opgerolde krant onder zijn arm en stapte haastig door. Met stevige passen beende hij voorbij de parkbank en gooide zijn krant in de papiermand naast de bank. Met Wahnfried wisselde hij een korte, bijna onmerkbare blik uit en liep gehaast verder.

Wahnfried wachtte een poosje en keek om zich heen, alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat niemand hem in het oog hield. Toen liep hij naar de papiermand en viste de krant er weer uit.

Even konden Robin en Pinkie heel duidelijk zien dat er iets in de krant was gewikkeld; een pakje in bruin papier, dat Dokter Waanzin snel en soepel in zijn jas liet verdwijnen, alsof hij een van zijn trucs uitvoerde. De krant gooide hij opnieuw in de papiermand.

Robin en Pinkie wisselden zwijgend een korte blik uit. Pas toen de goochelaar zich naar de uitgang van het park haastte, waagden ze zich uit hun schuilplaats.

‘Snel! We mogen hem niet kwijtraken!’ zei Robin.

Gelukkig was Christian Wahnfried een grote man en hij viel goed op in de drukte. Aangezien hij zich zo merkwaardig had gedragen en het bruine pakje zo geniepig had weggestopt, bleven Pinkie en Robin hem zo onopvallend mogelijk volgen. Robin had al heel wat ervaring met het schaduwen van mensen. Auto’s, reclameborden, dikke mensen... alles kon helpen om de verdachte zo onopvallend mogelijk te volgen.
Na een poosje bereikten ze inderdaad de aanlegkade met de witte toren, waar de Jan Vermeer lag.

Dokter Waanzin droeg vermoedelijk nog steeds dat geheimzinnige pakje onder zijn jas, en wilde het aan boord smokkelen. Nu ze zo dicht bij het schip waren, zou de goochelaar het niet meer verdacht vinden dat de jongens hem volgden. Pinkie en Robin deden dan ook geen enkele moeite om stil te zijn, maar renden de goochelaar op het gangpad wild voorbij.

‘Pff, laat ons wat gaan drinken!’ zuchtte Pinkie.

Robin hield de goochelaar echter nog steeds in het oog en volgde hem langs een trapje naar het benedendek. Pinkie liep met tegenzin achter hem aan. Ze zagen nog net hoe Dokter Waanzin achter een witgeschilderde stalen deur verdween, waarop met rode letters Crew Only geschilderd was.

‘Enkel bemanning,’ vertaalde Robin en hij bleef voor de deur staan. Net zoals de deur van hun kamer, had ook deze een elektronisch slot, dat alleen maar kon geopend worden met de juiste chipkaart. Boven de sleuf waarin de kaart paste, brandde een rood lampje.

‘Natuurlijk is ze op slot,’ zuchtte Robin. ‘Nu weten we nog steeds niet wat er in dat pakje zit!’

‘Nou, en?’ zei Pinkie onverschillig. ‘Het is vast iets dat hij nodig heeft voor zijn optreden.’

‘Waarom doet hij er dan zo geheimzinnig over? Je hebt toch ook die man in de regenjas gezien?’

‘Ja, net een of andere geheimagent!’

‘Juist!’ knikte Robin.

‘Dan is het vast een supergeheime truc, die hij aan het voorbereiden is!’ bedacht Pinkie.

Robin rolde met zijn ogen. ‘Ik denk eerder aan drugs of misschien wel explosieven!’

Pinkie keek hem even verbaasd aan en proestte het toen uit.

‘Jij bent knettergek, Robin Roover!’

‘Denk je dat? En wat als ik het nu eens bij het rechte eind heb?’

‘Daar is de politie voor? Daar hebben wij niets mee te maken.’

‘Zie jij hier soms politie?’

Pinkie beet zwijgend op zijn lip, want Robin had natuurlijk gelijk. Aan boord van een schip was geen politie. Alleen de kapitein was hier de baas, maar Robin betwijfelde of die twee jongens van twaalf zou geloven die beweerden dat de fantastische Christian Wahnfried een verdacht pakje aan boord had gesmokkeld.

‘We moeten die kerel in het oog houden,’ zei Robin. ‘Dit kan wel eens belangrijk zijn.’

Ontwerp: Johan Vandevelde - Scripting: Pieter De Plukker   © 2002-2017