Nieuwsfeed E-mail Johan Vandevelde op Facebook Johan Vandevelde op Goodreads Johan Vandevelde op LinkedIn Johan Vandevelde op Google+ Johan Vandevelde op Pinterest
Vrijdag, 24 november 2017
Elfenblauw: Het Juweel van Silnaris - fragment
© 2011 - Uitgeverij Abimo
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘Het Juweel van Silnaris’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.


Beluister hier het fragment ingelezen door de auteur!
 


Elfenblauw 1Oom Brendan was al vroeg vertrokken en had een briefje achtergelaten op de ijskast. Hij was opgeroepen voor een noodherstelling aan een dak en zou tegen de middag terug thuis zijn.

‘Vergeet mevrouw Riemel niet!’ stond eronder geschreven met een pijl naar het Post-itje ernaast met het adres van de juf. Ze woonde in het centrum. Sander zuchtte en plukte het briefje van de ijskastdeur. Hij at gretig zijn cornflakes op en trok zijn jas, sjaal en handschoenen aan.

Het was maar een kwartier fietsen naar het centrum, maar voor Sander kon het niet lang genoeg duren. De gedachte aan een confrontatie met mevrouw Riemel-met-een-R zond kriebels over zijn rug en deed het zweet in zijn handen staan. Wat zou hij zeggen en vooral, hoe zou zij reageren? Misschien zou ze hem wel uitlachen en hem een vernederende straf opleggen.

‘Ik ben geen lafaard,’ herhaalde hij steeds onder het rijden en hij zei het nog een paar keer terwijl hij zijn fiets vastmaakte in het fietsenrek naast het theater.

Hij werd bruusk uit zijn gedachten gerukt door een ijselijk gehinnik dat door de straten galmde als het gehuil van een verdwaald spook; hetzelfde vreselijke geluid met de metaalachtige echo dat hij bij de fabriek had gehoord. De mensen op straat keken vreemd op en vroegen zich af wat het was. Sander vond het Post-itbriefje in zijn jaszak en las het adres. Het was maar een paar straten verder. Sander merkte dat iedereen nu in één richting keek, naar het begin van de straat. Daar reed een ruiter op een gitzwart paard. Hij was gekleed in een al even zwarte mantel en op zijn hoofd droeg hij een bolvormige zwarte helm die zijn gezicht volledig bedekte.

Vast een reclamestunt was het eerste dat door Sanders hoofd flitste. Of misschien waren ze een film aan het draaien? Maar waar waren de camera’s?

De ruiter kwam langzaam dichterbij en deed Sander een beetje denken aan Pietje de Dood, maar in de plaats van een zeis droeg hij een enorme strijdbijl. Zijn handen zaten in handschoenen van maliën, die ijzeren ringetjes waar harnassen van werden gemaakt. Met een fikse ruk aan de teugels bracht hij zijn paard tot stilstand vlak voor het theater waar Sander naast zijn fiets stond met het gele Post-itje in zijn hand.

De mensen staarden met open mond en Sander had ook moeite om zijn tanden op elkaar te houden. De zwarte ruiter draaide zijn hoofd naar hem. Hij had een helm op zonder kijkgaten, maar Sander voelde onzichtbare ogen door zijn lichaam boren, alsof de man - of wat het ook was - dwars door zijn ziel kon kijken!

Er was geen twijfel mogelijk. De zwarte ruiter moest hem hebben!

Sander liet het briefje uit zijn hand vallen en zette het op een lopen.

De ruiter plantte de sporen aan zijn zwarte laarzen diep in de paardenflank. Het dier steigerde hinnikend en zette de achtervolging in. In het midden van de straat, bij volle daglicht en met tientallen omstanders! Sander rende voor zijn leven, zigzagde langs mensen heen en sprong over tassen en honden. Het ritmische geklop van de paardenhoeven op het asfalt kwam snel dichter. Mensen schreeuwden, auto’s toeterden. Sander schoot een zijstraat in, in de hoop dat hij zijn achtervolger kon afschudden, maar de ruiter reageerde meteen en stak dwars de straat over, waardoor verschillende bestuurders op hun remmen moesten gaan staan. Een rode Ford die uit de tegenovergestelde richting kwam, week slippend en toeterend uit, botste tegen een verlichtingspaal en kwam in een hagel van tinkelende glasbrokjes dwars over de weg te staan, voor het aanstormende paard. In een haastige blik achterom zag Sander hoe het paard met zijn ruiter, net als in een jumping, sierlijk over de auto heen sprong. Een bestuurder in een grijze Audi staarde met open mond naar het tafereel, dat zo uit een sprookje leek te komen en kwam pas weer tot de werkelijkheid toen de neus van zijn wagen zich met een klap in de Ford boorde.

‘Die vent is gestoord,’ flitste het door Sanders hoofd. Het geklop van de paardenhoeven achter hem kwam snel dichterbij. Hij rende nog steeds zo hard hij kon, maar dat was al een stuk minder hard dan ervoor. De ijskoude, droge winterlucht sneed door zijn keel en longen en hevige steken in zijn zij dwongen
hem te vertragen. De zwarte ruiter won nu snel veld en Sander kon haast de stomende adem van het dier in zijn nek voelen. In een snelle blik achterom zag hij dat de ruiter zijn strijdbijl te voorschijn had gehaald, waarmee hij ongetwijfeld een honderd jaar oude eik met één houw doormidden kon slaan. Sanders spieren smeekten om zuurstof, maar het leek wel alsof zijn luchtwegen waren dichtgevroren. Het paard rende nu briesend en hijgend naast hem. Ondanks de vermoeidheid stonden Sanders zintuigen nog steeds op scherp. Hij hoorde het staal van de bijl zingen in de lucht toen de ruiter het zware wapen boven zijn hoofd in het rond zwaaide om toe te slaan. In een fractie van een seconde schatte Sander de toestand in en dook naar de straatstenen. Een snel, berekend ontwijkingsmanoeuvre. Het scheermesscherpe snijvlak van de bijl suisde centimeters boven zijn schedel en sneed zelfs een paar haarsprieten af. Sander rolde over de straatstenen. Zijn mobieltje viel uit zijn jas en sloeg te pletter tegen de stoeprand. Het galopperende paard schoot als een pijl voorbij terwijl Sander tot stilstand kwam in de goot. Hij gaf zichzelf
geen tijd om te bekomen en krabbelde meteen weer overeind. De ruiter keerde zijn paard al om en spoorde het opnieuw aan. Sander rende de andere kant op, terwijl de hoefslagen achter hem opnieuw versnelden. Hij kon dit niet blijven volhouden. Zijn hart bonsde in zijn hoofd en zijn hersenen smeekten om zuurstof. Het zwarte paard stormde met volle snelheid over het voetpad de jongen achterna en won opnieuw snel terrein. Voor Sanders ogen dansten vlekjes en het was net alsof iemand een speer door zijn
zij had gestoken. Hij stond op het punt om door zijn knieën te zakken.

Strompelend en hijgend zette Sander zijn schouder tegen de deur van een muziekwinkel. De warmte en de beukende beats overstroomden hem als een douche en half duizelend kwam Sander tegen een rek met dvd’s tot stilstand. Een van de poten onder het rek begaf het onder het geweld en een flink stuk filmgeschiedenis kletterde over de winkelvloer. De winkelbediende, een stevig gebouwde dertiger met een Rolling Stones T-shirt, kwam meteen op hem af gerend, maar hij bleef verward staan toen hij de uitgeputte, lijkbleke jongen zag die hijgend tussen de dvd’tjes lag. Moest hij nu de politie bellen of een ambulance?

‘Help me!’ probeerde Sander te zeggen, maar het kwam eruit als een hees gefluister.

‘Wat scheelt er, jochie?’ vroeg de man op een toon die het midden hield tussen verbazing en bezorgdheid.

Sander wees naar de glazen deur waar de zwarte ruiter net op dat moment van zijn paard sprong. De winkelbediende volgde Sanders blik en zag de spookachtige gedaante in de zwarte mantel met de enorme bijl recht op de deur afkomen en ... er met een smak tegenaan botsen. Blijkbaar had hij nog nooit eerder glas gezien. Even hoopte Sander dat de zwarte ruiter het voor bekeken zou houden, maar de man hief zijn bijl op en sloeg de glazen deur met één klap aan diggelen. Duizenden glasbrokjes explodeerden over het tapijt.

‘Wottefuk!’ riep de winkelbediende ontzet. Hij aarzelde even, maar ging toen tussen de vreemde snuiter in het zwart en de jongen in staan en klikte zijn mobiel los, die hij aan zijn riem droeg.

‘Ik waarschuw je! Eén stap dichter en bel de po...’ Dat was al wat de man kon uitbrengen voordat hij de vuist met het handvat van de bijl erin met een misselijke smak recht in het gezicht kreeg en in één klap ook meteen al het licht in zijn bovenkamer uitging. De winkelbediende zakte in elkaar tussen de glasbrokjes en de zwarte ruiter stapte koelbloedig over hem heen.

Sander hees zich overeind en raapte de afgebroken poot van het rek op. Met het ding maakte hij geen enkele kans tegen de bijl, maar het was in elk geval langer dan zijn dolk. De zwarte ruiter liep langzaam op hem af en Sander deinsde verder achteruit zonder zijn belager ook maar een milliseconde uit het oog te verliezen.

‘Wat wil je van me?’ riep hij, terwijl hij de ijzeren staaf met beide handen omklemde als een zwaard.

De zwarte ruiter gaf geen antwoord en dreef de jongen verder de winkel in.

Sander botste met zijn rug tegen het rek met de filmmuziek en keek om zich heen. Er was een deur naar de opslagruimte van de winkel, maar die zat dicht en waarschijnlijk ook op slot. De zwarte ruiter hief zijn bijl op om de jongen met één houw te onthoofden, maar Sander was tevreden met de plaats waar zijn hoofd nu stond en weerde de slag wanhopig af met de poot van het rek. De vonken schoten eraf. De staaf vloog uit Sanders handen, maar de zwarte ruiter was toch even uit zijn evenwicht gebracht. Zijn bijl landde in Pop en Rock - E tot en met K en de zilveren schijfjes vlogen Sander om zijn oren. De zwarte ruiter trok en sleurde, maar zijn wapen zat vast in de ijzeren mand van het rek. Sander greep zijn kans en glipte naar de uitgang van de winkel. Buiten klonken sirenes.

De zwarte ruiter slaagde er na een paar pogingen in om zijn bijl te bevrijden en rende achter Sander aan. Hij was zo snel dat hij de jongen na twee stappen had ingehaald. Sander dook wanhopig naar de vloer en landde naast de verkoper tussen het glas. Gelukkig had hij zijn handschoenen aan, anders had hij zijn handen nog verwond ook. Hij draaide zich bliksemsnel op zijn rug, zodat hij kon vechten voor zijn leven, maar de zwarte ruiter stormde met wapperende mantel langs hem en sprong buiten op zijn paard.

Toen de eerste politiewagens eraan kwamen, was er geen spoor meer van de ruiter te zien, behalve de ravage die hij had achtergelaten.

Nog trillend op zijn benen hurkte Sander bij de winkelbediende. De man kwam langzaam weer tot zijn positieven. Hij miste een paar tanden en zijn neus was gebroken, maar hij zou het overleven.

Sander keek op zijn horloge. Het liep tegen twaalven.

’Oom Brendan!’ schoot het plots door zijn hoofd. Hij sprong overeind toen de politieagenten de winkel binnenkwamen en glipte langs hen heen.

‘Hé, wacht!’ riepen ze hem achterna, maar Sander had geen tijd te verliezen. De zwarte ruiter wist waar hij woonde! 

Ontwerp: Johan Vandevelde - Scripting: Pieter De Plukker   © 2002-2017